Plat kalle kan alleen nog in Nederland

Judith Stegen

Plat kalle. Als ik in Limburg ben, doe ik het elke dag. Met mijn ouders, met vrienden of met onbekenden op straat. Limburgs is mijn moedertaal. Praten in het dialect voelt nét wat natuurlijker aan en Nederlands spreken met iemand die het Limburgs beheerst, is not done. Voor de duidelijkheid: ik heb het hier over Nederlands-Limburg, waar de streektaal nog springlevend is. In de gelijknamige Belgische provincie is diezelfde taal namelijk op sterven na dood.

Ik groeide op in een dorpje aan de Maas, vlak bij de Belgische grens. Eerlijk gezegd stond ik er nooit zo bij stil dat er daar ook een provincie Limburg lag. Maar toen ik eenmaal in Leuven ging studeren, maakte ik heel wat Belgisch-Limburgse vrienden die zich echt als Limburger identificeerden. Toch was er een groot verschil: zie kalde gein plat. Enkele reacties:‘Dialect? Spreekt ge dat echt?!’ ‘Ja, ik kan dat wel een beetje verstaan, mijn grootouders spreken dat nog.’ Of, op z’n tussentaals: ‘Wa? Da’s marginaal seg!’ Wat is er gebeurd in Belgisch-Limburg? Waarom is het dialect daar gemarginaliseerd en is het een opa-en-oma-taaltje geworden? En dat alles terwijl ik, aan de andere kant van de grens, mijn vrienden zelfs in het Limburgs whatsappjes stuur!

Ooit vormden de huidige twee provincies één provincie Limburg, die onderdeel was van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1839 scheidden onze wegen en ging het westelijke deel van de provincie bij België horen. Decennialang bleven de Limburgers in beide landen het dialect spreken, hoewel er natuurlijk veel geografische variatie was. In Nederlands-Limburg is dat nog steeds zo: iemand die tien kilometer verderop is opgegroeid, pik je er zo uit. Toch wordt het gehele dialect gekenmerkt door een aantal bijzonderheden. Het voor buitenstaanders meest onbegrijpelijke verschijnsel is ongetwijfeld het fenomeen van de sleep- en stoottonen, die soms zelfs distinctief zijn. Lempke, langgerekt uitgesproken, betekent lammetje, terwijl het korte, ‘stotend’ uitgesproken lempke een lampje is. Soms onderscheidt dit intonatieverschil het enkel- en meervoud: zo is het langgerekte bein één been, terwijl het korte, stotende bein naar twee of meer benen verwijst. Los van vele andere grammaticale eigenaardigheden, beschikt het Limburgs over een rijk vocabulaire: sjotelsplak (vaatdoekje), sjravele (woelen, niet stil kunnen zitten), funkele (met vuur spelen) en hilarische uitdrukkingen: sjuuf es en bats! (schuif eens op!, maar letterlijk: schuif eens een bil!). En dan heb ik het nog niet eens gehad over onze beknopte maar veelzeggende smalltalk: ‘Enne?’ ‘Ouch enne hè’, wat zoveel betekent als: ‘Alles goed? ‘Ja, met jou?’

In Heerlen en omstreken is het aantal dialectsprekers gedaald, maar in de rest van Nederlands-Limburg wordt het dialect nog volop gesproken. Het wordt zelfs gestimuleerd met advertenties zoals Geer kalt toch ouch Limburgs mit de kienjer (U praat toch ook Limburgs met de kinderen)en onlangs zorgde het provinciebestuur ervoor dat het Limburgs een officieel erkende streektaal werd. Rond de eeuwwisseling ontwikkelden Rob Belemans en Jos Van Thienen het lespakket Ich kal ooch Limburgs (gepubliceerd in 1998) voor het Vlaamse secundair onderwijs, maar verder zijn zulke initiatieven in Belgisch-Limburg bijna onbestaand. De Vlaamse Limburgers klampen zich vooral vast aan een paar lokale uitdrukkingen zoals hennig begaaid (heel zat)en worden door de rest van het land uitgelachen om hun trage spreektempo en zangerige toonval, maar daar houdt het op.

In het kader van de Belgische taalstrijd was het hebben van één standaardtaal een krachtig wapen tegen de invloed van het Frans in Vlaanderen. Daarom werd decennialang het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ gepromoot, waarbij het Nederlands van de noorderburen als ideaalbeeld gold. De invloedrijke BRT, later de VRT, deed er nog een schepje bovenop en verklaarde die standaardtaal heilig. Dat beeld van de standaardtaal als heilige graal veroorzaakte helaas ook de teloorgang van lokale dialecten zoals het Limburgs, die steeds meer in een negatief daglicht werden geplaatst. Ondertussen heeft de werkelijkheid de standaardtaalutopie ingehaald: de Vlaamse tussentaal lijkt de functie van de oude dialecten over te nemen. Maar het echte Limburgs is in België ten dode opgeschreven.

De grootouders van mijn Belgisch-Limburgse leeftijdsgenoten spreken mijn moedertaal, maar met hun kleinkinderen schakel ik over naar het Nederlands. En dat is jammer. Voor mij is dialect spreken een verrijking; het is niet alleen voordelig geweest voor mijn taalontwikkeling, maar het is ook een groot onderdeel van mijn culturele identiteit. Want zowel vreigele (ruzie maken) als knoevele (knuffelen)kun je het allerbest in je eigen taal.

Judith Stegen is afgestudeerd als master in het Vertalen (KU Leuven) en volgt momenteel de master Journalistiek in Antwerpen (ook KU Leuven).

e-mail: judith.stegen@student.kuleuven.be

Klik hier om deze tekst als pdf te lezen.