Natiolecten: het beleid en de praktijk in de naslagwerken

Reglindis De Ridder en Miet Ooms

Begin 2019 publiceerde de Taalunie de visietekst over en het implementatieplan voor haar taalvariatiebeleid in de toekomst. Daarin stippelt ze haar taalvariatiebeleid uit, met aandacht voor corpus-, status- en acquisitieplanning. Corpusplanning impliceert de beschrijving van die variatie, statusplanning de acceptatie ervan door de taalgebruikers en acquisitieplanning de omgang met taalvariatie in het onderwijs. Dit implementatieplan is het vervolg op de beleidstekst uit 2003, waarin de Taalunie het idee van de monocentrische standaardtaal definitief inruilde voor een pluricentrische standaardtaal. Sindsdien bestaan er ‘natiolecten’: geaccepteerde varianten van de standaardtaal die in een bepaalde natie (Nederland, België, Suriname en de Caraïben) gebruikelijk zijn. In het nieuwe implementatieplan stelt de Taalunie dat de variatie binnen de standaardtaal al wordt beschreven en dat die lopende projecten zullen worden ‘voortgezet en – waar mogelijk – worden geïntensiveerd of uitgebreid’.

Taalvariatie in het werkveld

Wij vroegen ons af of taalprofessionals zoals vertalers, redacteurs, tekstschrijvers en taaldocenten in de praktijk te maken krijgen met die variatie, welke naslagwerken ze gebruiken en welke informatie ze op dit moment niet of moeilijk kunnen vinden. Uit de resultaten van een enquête blijkt dat 96% (n=203) van de mensen die professioneel met taal werken, regelmatig naslagwerken raadplegen om te kijken of een woord of uitdrukking gangbaar is in een bepaalde regio. Soms willen ze weten of een uiting ‘correct’ is of niet, soms zijn ze op zoek naar een uiting uit een specifieke regio of net naar een uiting die bruikbaar is in het hele taalgebied. Soms zoeken ze naar de juiste betekenis van een woord of uitdrukking en of het in elke regio wel dezelfde betekenis heeft.

In 2018 peilde Miet Ooms ernaar hoe vaak vertalers de vraag kregen specifiek voor België of Nederland te vertalen. De grote meerderheid van de respondenten meldde dat ze op zijn minst af en toe die vraag kregen en er ook op in gingen. Ook toen werd al duidelijk dat de behoefte aan naslagwerken waarin die variatie accuraat, duidelijk en gedetailleerd beschreven staat, groot is.

Variatie in naslagwerken

Uit de recente bevraging bleken vooral de Dikke Van Dale en de taaladviesdiensten (Onze Taal, Taaladvies.net, VRT Taal en de Taaltelefoon) het vaakst gebruikt te worden. Andere naslagwerken zoals het ANW, het Groot Woordenboek Nederlands van Prisma en Typisch Vlaams zijn veel minder bekend. De informatie uit die naslagwerken volstaat volgens de meeste respondenten vaak ook niet: er zijn nog steeds te weinig regiolabels, zowel voor het Nederlands-Nederlands als voor het Belgisch-Nederlands. Maar dat is niet de belangrijkste lacune. In de woordenboeken krijgt grammaticale informatie zoals lidwoorden, meervoudsvormen, tussen-s bij samenstellingen geen regiolabel. Ook syntactische verschillen tussen beide delen van het taalgebied, zoals de werkwoord(s)volgorde, moeten accuraat gelabeld worden. Dit alles ervaren taalprofessionals die deze informatie in de praktijk nodig hebben, als een belangrijk gemis.

Bij het werkveld, de mensen die professioneel en praktisch met taal bezig zijn, bestaat dus een grote behoefte aan degelijke naslagwerken en voldoende informatie over regionale informatie. Met andere woorden: de corpusplanning uit het implementatieplan mag zeker nog hoog op de agenda van de Taalunie blijven staan.

Hier kunt u het volledige artikel over natiolecten in naslagwerken als pdf downloaden.