Filip Devos

[Interview] Filip Devos: de man van (Over) taal

‘Taal bekijken als een spontaan fenomeen, niet als een geheel van regels dat nagevolgd moet worden’: dat fascineert hoofdredacteur Filip Devos. ‘Taal en alles wat errond hangt, dat passioneert me en ik wil via Over taal die hartstocht overbrengen bij zoveel mogelijk mensen. Het vele werk en de strijd om alles rond te krijgen die je als hoofdredacteur op de hals krijgt, neem ik er graag bij.’

Het begin

Al in zijn humanioratijd in Poperinge stampte Filip een schoolkrant uit de grond en later leverde hij geregeld artikels voor allerlei kranten en tijdschriften. Literatuur was zijn passie. Tijdens zijn studie Germaanse filologie in Gent werd hij tot de taalkunde aangetrokken. ‘Met twee man volgden we een keuzevak “Woordvorming” in de eerste licentie. Bij de onlangs overleden Johan Taeldeman was dat. Hij heeft me de passie voor taal bijgebracht. Ik schreef bij hem mijn licentiaatsverhandeling over een semantische classificatie van deverbatieven op –ing, woorden als regering, veroudering of verpakking. Ik ben daarna wat toevallig in de taalkunde gerold. Ik herinner me een late zomeravond in augustus 1988, toen Taeldeman plots aan mijn deur stond. “Of ik niet op een contrastief onderzoeksproject wou werken?” Ik moest toen nog enkele maanden burgerdienst doen, in het Gentse Poëziecentrum, maar Taeldeman zorgde die paar maanden voor een vervanger. Stel je voor! In januari 1989 kon ik dus aan de slag. Van het ene project kwam het andere. Later werd ik assistent, ik doctoreerde onder Johan in 2004, en werd docent. Nooit gedacht dat ik mijn hele leven een academische carrière in de taalkunde zou hebben.’

‘Het moet ergens begin 2002 geweest zijn, toen er in de krant De Tijd een interview met mij verscheen over de gevolgen van de invoering van de euro op taal’, herinnert hij zich. ‘Wat doe je bijvoorbeeld met een uitdrukking als “mijn frank is gevallen”? Op vraag van Marianne Boone, die toen het tijdschrift coördineerde, kwam daar ook iets over in Over taal en zo kreeg ik nauwer contact met de redactie. Ik schreef enkele bijdragen in de rubriek die ik bedacht had: ‘Idioom & Co’. Een tijdje later maakte ik deel uit van de adviesraad, een orgaan dat nu niet meer bestaat. Niemand bleek daar eigenlijk ‘advies’ te geven. Ik deed dat wel, uitgebreid en kritisch, en zo was de eerste stap gezet. Van het een kwam het ander: men vroeg me hoofdredacteur te worden, want ik had blijkbaar wel wat ideeën. Lang hoefde ik daar toen eigenlijk niet over na te denken.’

Forum

Toen hij hoofdredacteur was geworden, besteedde Filip veel aandacht aan de structuur van het blad. Hij streefde naar een eenvormig aantal pagina’s per editie en een vaste verschijningsfrequentie, en hij voerde een reeks vaste rubrieken in. ‘Door die rubrieken weet de lezer wat hij mag verwachten en een populaire rubriek bindt hem aan het blad’, zegt hij. ‘De lezer heeft er een ankerpunt aan en ook het werk van de redactie vergemakkelijkt. Aanvankelijk vulde ik veel rubrieken zelf in. Ik herinner me bijvoorbeeld leuke interviews met Boudewijn de Groot, Kees van Kooten, Elio di Rupo of Jan De Wilde. Gelukkig kregen we na verloop van tijd een aantal ‘vaste medewerkers’ die een rubriek verzorgden, zoals Hugo Brouckaert met zijn onovertroffen columns, of Bert Cappelle, die scherpe taalobservaties naar het ruime publiek wist te vertalen in de rubriek Idioom & Co.’

De redactie ging meer uit taalwetenschappers bestaan. Over taal was ontstaan uit de diensten binnen het parlement die instaan voor de verwerking van de talloze teksten die deze instelling produceert en aanvankelijk werd de redactie bevolkt door taalkundigen uit die kringen. De inhoud was eerder normerend: het ging om taaladvies. Vergeten we niet dat het blad het levenslicht zag in 1962; dat was de tijd dat de Vlaamse intellectuelen geleidelijk aan tot de top van de samenleving doordrongen en de noodzaak voor een verzorgde taal scherper werd aangevoeld. Overal ontstonden de zogenaamde ‘ABN-kernen’ (ABN stond voor ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’, grappenmakers maakten er ‘Alles behalve Nederlands’ van). Op de televisie was er het legendarische programma ‘Hier spreekt men Nederlands’, dat nu nog model staat voor de pedagogische taak die de toenmalige BRT op zich genomen had. Geleidelijk aan werd meer aandacht besteed aan het fenomeen taal in ruime zin, en het blad werd minder normerend en meer beschrijvend. In die zin volgde het tijdschrift de algemene trend van de visie op taal en taaladvies, die zich tegenwoordig overal aftekent.

‘Een forum bieden, dat wilden we doen met het blad. Ik heb nooit stelling ingenomen over taalkwesties. Dat was mijn taak niet als hoofdredacteur, vond ik. Tonen wat er gaande was, dat wel.’

 

Schizofrene taalkundige

Een taalkundige die ook onderwijstaken heeft, balanceert tussen twee werelden: enerzijds moet hij de taal beschrijven zoals ze is, met al haar varianten en haar gebrek aan logica soms. Anderzijds moet hij als lesgever ook normen stellen. Dat maakt hem wat schizofreen. ‘Daarom gaan we steeds meer in registers werken: in die situatie praat je best zus, maar in andere omstandigheden zo’, stelt de geïnterviewde. ‘Je beheerst je taal goed als je die verschillende registers behoorlijk kan hanteren. In de voorbije decennia is er minder aandacht naar de norm gegaan en het kan best zijn dat het om een pendelbeweging gaat. Vroeger ging daar te veel aandacht naartoe; nu dreigt men misschien in het andere extreem te vervallen. Bij de studie van de grammatica in het taalonderwijs zie ik een gelijkaardig verschijnsel.’

Door die meer wetenschappelijke aanpak kwamen er redactieleden uit de universiteiten van Gent, Antwerpen en Leuven. ‘De inhoud werd abstracter, maar net daardoor nam de nood om de zaken eenvoudig voor te stellen, te vulgariseren, toe’, zegt Filip. ‘Dat zag ik steeds meer als de hoofdopdracht van het blad: de zaken verteerbaar maken, zodat de interesse van een breder publiek voor taal gewekt wordt.’

‘Met het blad richten we ons ook tot professionelen. Je kunt immers niet van alles even goed op de hoogte zijn, maar je wil toch bijblijven. Een vulgariserend artikel kan daartoe bijdragen en speelt dus ook een rol in de wetenschappelijke wereld zelf.’

‘Ik herinner me een bijdrage van Dominiek Sandra, de bekende psycholinguïst en spellingspecialist. Op zijn ene artikel in Over taal kreeg hij meer reacties dan op zijn talloze Engelstalige A1-publicaties samen. En ooit leidde een artikel in Over taal tot een parlementaire vraag. Het ging over een onderzoek naar de kennis van grammatica bij laatstejaarsleerlingen ASO. Daar had het parlementslid vragen over en hij bleek dus dat artikel uit ons tijdschrift opgepikt te hebben. Het is daarom jammer dat vulgarisaties niet meer geapprecieerd worden in wetenschappelijke kringen’, vindt Filip Devos. ‘Er wordt steeds benadrukt dat een universiteit een open venster moet zijn op de samenleving en toegankelijke artikels zijn daar een middel toe. Bovendien is een vulgarisatie niet zelden een proef op de som. “Vulgarisatie: woord dat aanduidt dat het gaat om een leesbare studie”, glimlachte de bekende publicist Gaston Durnez al. Vulgariseren is dus een kunst en mag zeker niet gelijkgesteld worden met een tekst kinderlijk maken. De wetenschappelijke eisen van juistheid en verifieerbaarheid moeten gerespecteerd blijven. Als je er niet in slaagt om je stelling op een aanvaardbare manier aan een breed publiek voor te stellen, blijkt er niet zelden iets verkeerds te zijn met dat standpunt. “Is mijn theorie misschien te vaag of te ingewikkeld?”, moet je je dan afvragen. Bovendien mogen we vulgarisaties niet aan amateurs overlaten. Pas dan zullen er problemen ontstaan.’

De hoofdredacteur hoorde wel vaker van auteurs dat de artikels uit zijn tijdschrift hun meer reacties opleverden dan de wetenschappelijke versie ervan. Met de leesdichtheid van de wetenschappelijke publicaties is het inderdaad pover gesteld. En hij weigerde al herhaaldelijk artikels die op doctoraten gebaseerd waren, omdat ze over de hoofden van het doelpubliek heen geschreven waren. Maar sommige bachelorpapers of masterscripties hebben dan weer wel tot een artikel in Over taal geleid. En daar is hij zeer trots op.

‘Ik ben daar trots op, ja, maar het is de verdienste van die jonge studenten dat ze hun onderzoek naar het publiek brengen. Ik ben maar een tussenschakel.’

 

Frustraties

Het grote probleem van het tijdschrift was de marketing. Het aanbod aan leesvoer is enorm en het is niet gemakkelijk om iemand te overtuigen om nog een abonnement op een tijdschrift te nemen. ‘Daarvoor is een professionele aanpak nodig en die missen we’, meent Devos. ‘Vergeet niet dat Over taal een kwestie van avond- en weekendwerk is. De grootste frustratie is inderdaad het gebrek aan promotie. De laatste jaren wou de uitgeverij daarin niet meer mee. Ik had ideeën genoeg, hoor, maar kon die zelf uit tijdsgebrek niet waarmaken. Een teleurstelling is ook het gebrek aan waardering vanwege de overheid. Ik herinner me de jubileumviering eind 2011. Het Vlaams Parlement wou daar helemaal niet aan meewerken. Meer nog: we mochten plots niet meer verschijnen met de vermelding ‘Onder de hoge bescherming van het Vlaams Parlement’, zoals dat vele jaren daarvoor wel het geval was. Ooit ben ik daarna met uitgever Bruno Scheers gaan aankloppen bij minister Schauvliege. Of ze niet vond dat taal misschien wel ons belangrijkste culturele erfgoed was? Ja, vond ze. Maar onze aanvraag voor een subsidie werd afgewezen. Tja. Lippendienst, je vindt dat ook bij de academische overheden. Popularisering vinden ze belangrijk. Zogezegd. Wel: honoreer dat dan! Desnoods met 0,1 of 0,01 punt voor een populariserende publicatie. Ik heb er zo stilaan mijn buik van vol, van al die ”lippendienst”. Kijk, ik heb ook in mijn privéleven al te veel “schone schijn” meegemaakt. Dat tekent een mens op den duur. Ik wil dat gewoon niet meer.’

Of Devos het dan opgeeft als hoofdredacteur? ‘Nee’, antwoordt hij na enig aarzelen. ‘Ik heb er lang over nagedacht. Ik zou het blad eigenlijk niet meer kunnen missen. Onderzoek, onderwijs en populariseren, het werkt op elkaar in, het bestuift elkaar, het inspireert me op alle vlakken.’

‘Er moet gewoon initiatief blijven komen van onderuit. Want enkel zo zal het kunnen werken. Van hogerhand moet je niet veel verwachten. Het zal van de ‘basis’ moeten komen.’

‘De Gentse psycholoog Paul Verhaeghe schrijft daar zeer rake dingen over in zijn laatste boek, Autoriteit. Ik hoop dat we daar dus eindelijk vanuit de basis volop steun voor krijgen. Er zijn duizenden mensen professioneel met taal bezig, toch? Laten we hopen dat we uit die hoek meer dan lippendienst krijgen. We zijn nu volop bezig met een ‘doorstart’ van Over taal. Maar welke concrete vormen dat alles zal aannemen, is nog wat onzeker.’

 

Filip Devos

Filip Devos (1964) studeerde Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit Gent (1982-1986). Hij volgde ook de Aggregatie Hoger Secundair Onderwijs (1986). Na zijn burgerdienst (1987-1988) werd hij wetenschappelijk onderzoeker op het project Contragram (Contrastieve grammatica) en later het CVVD (Contrastive Verb Valency Dictionary of Dutch, French and English). Van 1998 tot 2004 was hij assistent Nederlandse taalkunde. In 2004 werd hij ‘doctor in de Taal- en Letterkunde: Germaanse talen’ op het proefschrift Still fuzzy after all these years. Aspecten van lexicaal-semantische vaagheid in natuurlijke taal: enkele theoretische bouwstenen voor de lexicale semantiek en de metalexicologie.

Hij is hoofddocent Nederlands aan de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent, en publiceerde over contrastieve linguïstiek, woordvorming, leenwoorden, lexicale semantiek en idiomatisch taalgebruik, en aspecten van spelling- en grammaticaonderwijs. Daarnaast werkte hij ook als freelance redacteur, copywriter en recensent (o.a. Poëziekrant, De Standaard der Letteren, Boonberichten).

In 2003 werd Filip Devos redactielid en in 2006 hoofdredacteur van Over taal. In de periode 2002-2017 schreef hij in het blad een 160-tal bijdragen, interviews en recensies. Begin 2016 kreeg hij voor zijn inspanningen op het gebied van (taal)wetenschapspopularisering de ‘Lofprijs der Nederlandse taal’.

 

 

Print Friendly, PDF & Email